Taalhuizen; krachtenbundeling in aanpak van laaggeletterdheid!

Taalhuizen; krachtenbundeling in aanpak van laaggeletterdheid!

Nederland telt thans, anno 2022, ongeveer 2,5 miljoen laaggeletterden van 16 jaar en ouder. Dat is een schokkend aantal. ‘Laaggeletterd’ houdt in dat iemand (grote) moeite heeft met de basisvaardigheden: lezen, schrijven, reken- en/of computervaardigheden. En wel zodanig, dat dit zijn of haar dagelijks leven hindert en de communicatie met de overheid of maatschappelijke instanties belemmert. Vandaar dat laaggeletterdheid ook wel ‘functioneel analfabetisme’ wordt genoemd. Laaggeletterden zijn dus geen echte analfabeten, ze hebben immers wel enige kennis van basisvaardigheden. 

(Henk Busker)

De gevolgen van laaggeletterdheid zijn groot. Mensen die worstelen met basisvaardigheden zijn vaker ziek, hebben meer last van stress en zijn minder productief. Laaggeletterdheid en armoede en schulden gaan bijvoorbeeld vaak hand in hand. 

Taalhuizen zijn een belangrijke schakel in de lokale aanpak van laaggeletterdheid.
H.K.H Prinses Laurentien der Nederlanden heeft zich de problematiek van deze doelgroep aangetrokken en heeft in 2004 Stichting Lezen en Schrijven opgericht. Ze wilde zoveel mogelijk partijen verbinden die al actief waren, of zouden moeten zijn, op het gebied van laaggeletterdheid. Want ondanks de schrikbarend hoge aantallen laaggeletterden, werd het destijds niet als serieus maatschappelijk vraagstuk erkend. Als concrete uitwerking om laaggeletterdheid tegen te gaan zijn er vanaf 2012 honderden Taalhuizen opgericht. 

Een Taalhuis is een samenwerkingsverband. Binnen een Taalhuis werken verschillende partijen samen aan de aanpak van laaggeletterdheid. Partijen die meedoen zijn bijvoorbeeld Stichting Lezen en Schrijven, de gemeente, de bibliotheek, welzijnsorganisaties en taalaanbieders.

Taalhuizen vallen onder non-formele educatie en zijn daardoor zeer laagdrempelig. Een Taalhuis heeft een fysieke ontmoetingsplek, vaak in een bibliotheek of wijkgebouw. Het aanbod voor laaggeletterden in Taalhuizen is gratis en kent vele vormen. Van individuele trajecten tot groepsactiviteiten. Er zijn gratis lesmaterialen en laptops of computers. 
Iedereen die aan zijn basisvaardigheden wil werken kan terecht bij een Taalhuis. 

Bij de meeste Taalhuizen werkt een taalhuiscoördinator of een taalhuisdocent. Hij of zij kan een intake doen. Tijdens de intake vertelt iemand wat hij wil leren. Er wordt besproken waar hij dat het best kan doen. Vaak kunnen mensen bij het Taalhuis zelf terecht en een leertraject volgen met een vrijwilliger Taalhuiscoach. Soms hebben mensen een formele cursus nodig. Dan gaan ze naar het ROC of een andere taalaanbieder.

Het Taalhuis ondersteunt ook de vrijwilligers die cursisten begeleiden. Vrijwilligers kunnen bij het Taalhuis een training volgen. Of advies vragen over de begeleiding van hun cursisten of over de inzet van materialen.
Tevens kunnen professionals van verschillende maatschappelijke organisaties er informatie krijgen over laaggeletterdheid en de mogelijkheden voor toeleiding. 
Voordelen van non-formeel leren

  • Laaggeletterden hebben vaak negatieve ervaringen met schools leren, waardoor de drempel naar formeel onderwijs erg hoog is. Non-formeel onderwijs wordt gezien als toegankelijker, en kan zelfs een opstap zijn naar formeel leren.
  • Taaltrajecten in een non-formele setting zijn effectief: uit een onderzoek van Maastricht University naar de ondersteuningsaanpak ‘Taal voor het Leven’ bleek bijvoorbeeld dat 67% van de deelnemers zijn leesvaardigheid verbeterde, 70% van de lerende mensen vaardigheden beter konden toepassen in de praktijk en 20% tot 30% een betere positie op de arbeidsmarkt kreeg.
  • Deelnemers voelen zich zekerder. Ze worden assertiever, gezonder en minder eenzaam.

Hoe spoor je nu een laaggeletterde op? 
De meeste mensen die moeite hebben met basisvaardigheden schamen zich en vinden het lastig om er over te praten. Een van de problemen bij het bestrijden van laaggeletterdheid is de onzichtbaarheid van de doelgroep. 

Er zijn echter wel signalen die kunnen wijzen op laaggeletterdheid:

  • Alleen kijken naar een tekst zonder de ogen te bewegen over de tekst. 
  • Geen punten of komma’s gebruiken. 
  • Geen e-mailadres hebben. 
  • Moeite hebben met mobiel bankieren. 
  • Een slecht leesbaar handschrift hebben. 
  • Vaak of een lange periode werkloos zijn. 
  • Niet verder groeien in het werk. 
  • Een uur te vroeg of te laat zijn op een afspraak. 
  • Negatief praten over schoolervaring. 
  • Moeite hebben met navigatie. 
  • Smoesjes gebruiken als ‘bril vergeten zijn’ of ‘zere hand hebben’ als gevraagd wordt iets te lezen of te schrijven.  

Er zijn allerlei redenen voor laaggeletterden om niet de stap te zetten naar begeleiding of onderwijs. Schaamte, negatieve schoolervaringen, faalangst, een gebrek aan zelfvertrouwen en ontkenning van de problemen spelen hier een rol bij. Dit maakt ook dat er een andere aanpak nodig is in zowel de toeleiding naar onderwijs als in de vorm van het onderwijs zelf. 
De medewerkers van netwerkpartners worden getraind in het herkennen van laaggeletterdheid en het hierover in gesprek gaan met hun cliënten. Door bijvoorbeeld het perspectief op meer zelfredzaamheid aan te kaarten kunnen zij een doorverwijzing naar het Taalhuis bewerkstelligen. Deze medewerkers spelen dus een zeer belangrijke rol in het leiden van laaggeletterden naar Taalhuizen. 

We gaan door!
De urgentie om de aanpak van laaggeletterdheid op de agenda te houden blijft bestaan. Door in de Taalhuizen de krachten te blijven bundelen kunnen we de cyclus van laaggeletterdheid doorbreken. Laagdrempeligheid, zichtbaarheid en deskundigheidsbevordering zijn hierbij de sleutelwoorden. 

 

 

Later bericht    Overzicht    Eerder bericht