Die andere Seite

Die andere Seite

Ingeborg groeide op in Duitsland, tijdens de jaren dertig van de vorige eeuw. In de jaren dat Hitler aan de macht kwam.

“Ik was een teenager in die tijd en het enige dat telde waren mijn vrienden, mijn eerste liefde, en jazz muziek. Dat laatste wel achter gesloten deuren, want  jazz muziek was immers verboden,” vertelt Ingeborg.

Aan die onbezorgde tijd kwam een einde. De oorlog brak uit en vrienden vertrokken naar het front. “Sommigen keerden niet terug, anderen zwaargewond. Jongens waarmee ik zo vaak gedanst had, kwamen met beide benen afgeschoten terug. Het leed was onbeschrijflijk.” Ingeborg zwijgt even.

“Rond dezelfde tijd verdween mijn hartsvriendin Jo. Zonder een bericht achter te laten.”
Er werd in die tijd over werkkampen voor Joden gefluisterd. Veel mensen wisten er het fijne niet van.
“Enkele dagen na het verdwijnen van Jo kwam mijn vriendin Goldine volledig overstuur bij mij langs,” vervolgt Ingeborg. “Goldine vertelde me dat ze een afspraak had met haar oom en tante, maar dat ze hen niet had aangetroffen in hun huis. Laden en kasten stonden open, en alles wees op een overhaast vertrek. Goldine was net zoals haar oom en tante en mijn vriendin Jo van Joodse afkomst.”

“Goldine bleef bij mij schuilen. Niemand wist ervan. Dacht ik,” zegt Ingeborg. “Wie de schuilplaats van Goldine heeft verklapt, ben ik nooit te weten gekomen. Feit is dat er enkele dagen na de komst van Goldine ‘s avonds laat werd aangebeld. Op de stoep stonden twee mannen in uniform. Gestapo. “Kommen Sie mal mit” klonk het afgemeten.”
“Goldine wist - gelukkig - te ontkomen. Ik werd gearresteerd. De volgende dag werd ik overgebracht naar de gevangenis van de stad Würzburg.” 

“Toen ik uit de gevangenis kwam was ik nog niet helemaal vrij, want ik moest me elke dag melden,” vervolgt ze. In de chaos die volgde op de bombardementen van de geallieerden op Würzburg wist ik te ontkomen. Met hulp van Duitse vrienden en een Nederlander die ontsnapt was aan de ‘Arbeitseinsatz’, vluchtten we richting Nederland. De vlucht door brandend Duitsland, de bombardementen, de angst dat we opgepakt konden worden, die angst van toen, het is met geen pen te beschrijven. Sirenes loeiden en we vluchtten van schuilkelder naar schuilkelder.”

“Uiteindelijk bereikten we eind 1944 de stad Groningen, in Nederland. Ik was negentien jaar jong en ik verheugde me op vrijheid en een nieuw vaderland!” Ingeborg glimlacht even.

“Nooit had ik kunnen bedenken wat me te wachten stond. Ik werd geconfronteerd met intense haat, afkeer en vijandigheid. Waarom? Dat werd me snel duidelijk gemaakt. Ik was Duitse. Ik was de vijand. Alle Duitsers waren één pot nat. De vooroordelen waar ik mee te maken kreeg waren immens.”
“En ik kon,” zegt Ingeborg met een zucht, “moeilijk rondlopen met een bord om mijn nek waarop stond: “ik heb in de gevangenis gezeten omdat ik een Joods meisje heb geholpen.” 
  
Uiteindelijk sloten de Groningers vrede met haar en zij met hen. Vooroordelen bleven bestaan. Kleine speldenprikken, zo hier en daar. Maar verder leefde ze nog  lang, en……zovoort. 

Dit verhaal is gebaseerd op aantekeningen en gesprekken met mijn moeder, Ingeborg Rodermond-Helmer.

Na de oorlog kwam mijn moeder te weten dat Jo was omgekomen in een concentratiekamp. Goldine had meer geluk, ze wist uit Nazi-Duitsland te ontsnappen  en emigreerde naar Amerika. Mijn moeder heeft nog jarenlang contact met haar gehad.

Tekst: Barbara Rodermond

Later bericht Overzicht Eerder bericht